Schriftelijke vragen aan het college van B&W betreffende ontheffing paracommerciële vergunning van studentenvereniging Quintus voor Leidse Jazz week van maandag 2 augustus 2010.
Dit jaar heeft de organisatie van de Leidse Jazz Week studentenvereniging Quintus enthousiast opgenomen als een van de hoofdlocaties van de Leidse Jazz Week. Het zou een bijzondere avond worden, met gevestigde en onbekende artiesten die elkaar afwisselen op 3 verschillende podia.
Met het participeren aan dit sociaal-culturele evenement wil Quintus kwaliteitsmuziek naar de studenten brengen, jong talent een kans te geven voor een groot publiek te spelen, maar vooral studenten en Leidenaren samen te brengen in hun liefde voor muziek. Een zaak die de fractie van D66 alleen maar kan toejuichen.
Nu blijkt de paracommerciële vergunning van Quintus niet geschikt te zijn voor het organiseren van een open evenement met kaartverkoop op grond van de Drank- en Horecawetgeving. De gemeente heeft aangegeven dat de kaartverkoop Quintus een commerciële aangelegenheid zou maken en dat er geen juridische grond is voor uitzonderingen. Dit zou betekenen dat de gehele sociale inmenging van studentenverenigingen in Leidse festivals niet zou kunnen plaatsvinden. Het is voor Quintus moeilijk te begrijpen waarom de gemeente een dergelijk cultureel evenement, geheel vrijblijvend georganiseerd door vrijwilligers van Quintus en toegankelijk voor alle inwoners van de stad, zou willen verbieden. Dit is ook naar mening van de fractie van D66 een zeer onwenselijke situatie. Gelukkig hoeft dit niet het geval te zijn.
Natuurlijk is de fractie van D66 van mening dat oneerlijke concurrentie (Quintus kan immers goedkoper schenken dan menig commercieel café) moet worden tegengehouden, maar er zijn bijzondere/speciale situaties waar het college van B&W een uitzondering kan maken. D66 stelt dan ook met spoed de volgende vragen aan het college van B&W:
Op grond van artikel 4 van de Drank- en Horecawet (Hierna: DHW) kunnen paracommerciële vergunningen worden afgegeven aan Sociaal-culturele instellingen (stichtingen of verenigingen) met verbonden voorschriften en/of beperkingen. Studentenvereniging Quintus heeft zo’n vergunning en bovendien staat Quintus ook in de nota paracommercie van de gemeente Leiden van januari 2009 aangegeven als sociaal-culturele instelling.
1. Bent u het met de fractie van D66 eens dat de studentenvereniging Quintus een vereniging is zonder winstoogmerk, die niet commercieel is? Zo nee, waarom niet?
2. Bent u het dan met de fractie van D66 eens dat een sociaal-culturele instelling die kaarten verkoopt voor een sociaal-cultureel evenement, puur om de kosten van een sociaal-cultureel feest te kunnen dekken (ook onder huidige jurisprudentie) daarmee niet is aan te merken als commercieel? Zo nee, waarom niet?
Artikel 4 DHW is bedoeld om beperkingen te verbinden die “gelet op de plaatselijke of regionale omstandigheden, nodig zijn om paracommercialisme te voorkomen”.
3. Klopt het dat u in de nota paracommercie van januari 2009 heeft geschreven: “In Leiden kan daarom niet worden gesproken van ernstige verstoring van ordelijk economisch verkeer”?.
Op grond van artikel 4 lid 5 DHW kan het college van B&W: “met het oog op bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard ontheffing verlenen van de aan een vergunning verbonden voorschriften of beperkingen als bedoeld in het eerste lid.” Volgens de jurisprudentie zijn gelegenheden van zeer bijzondere aard te kwalificeren als “bijzondere festiviteiten”. Gedacht moet hierbij worden aan een eenmalig evenement of een jaarlijks terugkerend groot evenement.
4. Is het college van B&W het met de fractie van D66 eens dat de Leidse Jazzweek een jaarlijks terugkerend groot evenement is?
In de Leidse nota paracommercie van januari 2009 heeft het College van B&W aangegeven dat voorbeelden van gelegenheden van zeer bijzondere aard bijvoorbeeld de hutspotmaaltijden op 3 oktober, de festiviteiten tijdens de El-cid week en de happietaria zijn. Maar ook kan worden gedacht aan inter-corporale studentenfeesten, bijeenkomsten van studieverenigingen of Universiteitsfeesten (bijv. het StOPfeest). Daarnaast heeft het college van B&W ook een ontheffing gegeven voor het feest op Quintus tijdens de museumnacht.
5. Is het college van B&W het met de fractie van D66 eens dat veel van de bijzondere gelegenheden waarvoor het college van B&W ontheffing verleent, activiteiten zijn waar kaartverkoop aan vooraf gaat? Zo nee, waarom niet?
6. Is het college van B&W het met de fractie van D66 eens dat het college van B&W op grond van ariktel 4 lid 5 DHW, jurisprudentie en eigen beleidsregels wel degelijk een juridische bevoegdheid heeft voor het geven van een ontheffing van de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen.? Zo nee, waarom niet?
7. Is het college van B&W het vervolgens met D66 eens dat deze coalitie het samenbrengen van de Leidenaar en de student belangrijk acht en dat de gemeente dit dient te bevorderen? Zo nee, waarom niet?
8. Is het college van B&W het met D66 eens dat studentenverenigingen bij sociaal-culturele evenementen betrokken dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
9. Is het college van B&W het met D66 eens dat het zeer wenselijk is om studentenvereniging Quintus te laten deelnemen aan de organisatie van de Leidse Jazzweek? Zo nee, waarom niet?
10. Is het college van B&W dan ook van plan om studentenvereniging Quintus spoedig een ontheffing te verlenen, zodat zij toch nog volop kunnen participeren aan dit fantastische Leidse evenement? Zo nee, waarom niet?
D66 wil het college van B&W vriendelijk verzoeken om ondanks het reces zo spoedig mogelijk antwoord te geven op bovenstaande vragen. Quintus moet binnen een maand uitsluitsel kunnen geven aan de organisatie of zij door de gemeente Leiden in de gelegenheid worden gesteld om dit festival te organiseren, anders zullen zij niet op tijd zijn met het rond krijgen van de artiesten en andere organisatorische aangelegenheden.
Elze ’t Hart (D66) |